dinsdag 12 juni 2018

Shannon Shaw – 'Shannon In Nashville': waar liefde synoniem staat voor diepe smart


Voor een eerste solo-plaat trok Shannon Shaw – in een regie van producer Dan Auerbach – op uitstap naar Nashville, weg van haar basgitaar en de garage van The Clams. Dit resulteerde in een grootse, ouderwetse popplaat die helemaal rond Shaws soulvolle stem werd gecentreerd. Om een wat concreter idee te geven, kan je stellen dat opener 'Golden Frames' sowieso hoge ogen zou gooien op elk Songfestival in de jaren 60 en 70, dat 'Bring Her the Mirror' in ieder tijdperk geschikt is als themanummer van een James Bondfilm en dat 'Freddies 'n' Teddies' op maat geschreven lijkt van de nachtclubby vibe waar Grace Jones zo graag mee aan de slag gaat.


In een prachtig georchestreerde, rijkelijk (met allerhande toeters en bellen, strijkers, blazers en vocale harmonieën) gearrangeerde productie, wordt de emotie van Shaws geladen lead – die soepel tussen ingetogen en uitbundig switcht en steevast kan bogen op een hartverscheurende snik dan wel een rauwgevoelige rasp - des damatischer naar voor gebracht. De algehele feel trekt geregeld richting grens met het authentieke levenslied waar liefde zowat synoniem staat voor diepe smart, waardoor deze langspeler behoorlijk wat onversneden tearjerkers bevat.

'Shannon In Nashville' draaide aldus uit op een uitgebalanceerd en coherent album dat beweeglijk groovend, meeslepend en indringend voor de dag komt. Auerbach vond bij dezen een andere manier om Shaws stem te laten schitteren dan bij de retrogarage van Shannon and the Clams en stuurde het geheel resoluut richting tijdloze pop met een onmiskenbaar potentieel een enorm publiek te beroeren.

Voorlopig staan er voor Shannon Shaw nog geen solo-optredens gepland in onze contreien. Met The Clams – die overigens de voorbije winter ook een sterk album uitbrachten – kan je ze later dit jaar wel live aan het werk zien in onder andere Amsterdam (Bitterzoet, 06.09) en Brussel (Botanique, 07.09).



vrijdag 8 juni 2018

Mozes and the Firstborn tijdens Plugged Festival (Eindhoven) op 07.06.18


Sinds de release van 'Great Pile of Nothing' lijkt Mozes and the Firstborn een onstuitbaar elan gevonden te hebben. Ep's en singles volgen elkaar al enige tijd aan sneltempo op en een nieuwe lp staat reeds helemaal in de steigers. Geen wonder dus dat veel nieuw materiaal de set haalt op het door Eindhovense studenten georganiseerde Plugged Festival.


Zo trappen Melle Dielesen en co af met 'Sad Supermarket Song' waar de eerste uitgave van de recent opgerichte Mozes Cassette Club rond draait. Het viertal heeft er duidelijk plezier in, oogt ontspannen en maakt er een expressieve show van waarbij de ene catchy gitaarrocksong na de andere de zaal wordt ingeblazen. Het voor heel binnenkort aangekondigde 'Hello', een nog onbekend 'Amen' getiteld nummer en ander onuitgegeven werk vindt makkelijk zijn plaats naast relatieve klassiekers als 'Bloodsucker', 'Seasons', 'Crawl' en 'Gimme Some' dat – zoals al een tijdje live het geval is – een vakkundig uitgesponnen, opzwepende gitaardueloutro meekrijgt.

Drummer Raven Aartsen toont zich een constante rots in de branding (ook wanneer de band geconfronteerd wordt met een miniem euvel als een gebroken snaar), bassist Corto Blommaert wekt een kwieke en frivole indruk en gitarist Ernst-Jan van Doorn geeft de nummers extra push en edge waar nodig. Frontman Dielesen toont zich efficiënt in zijn gitaarspel en gevarieerd, met vaak een melancholische toets, in zijn vocalen, bepaalt de toon van het geheel en praat alles met een natuurlijke flair aan elkaar.

Als toegift wordt doorbraakhit 'I Got Skills' van stal gehaald, waartijdens Dielesen zich goofy energiek tussen de toeschouwers begeeft en hen de lead voor de refreinen aanbiedt, waar dan ook gretig van gebruik wordt gemaakt. Het hieropvolgende 'Peter Jr.' besluit, tenslotte, Mozes and the Firstborns uitstekende generale repetitie voor hun last minute toegezegde passage op het Best Kept Secret-festival een dag later (vandaag dus).




dinsdag 5 juni 2018

The Coathangers – 'LIVE': alsof je erbij bent


Na dertien jaar in het zadel en vijf lp's en een ep op de teller is voor de garagepunks van The Coathangers de tijd aangebroken voor het eerst uit te pakken met een live-album, geregistreerd op twee opeenvolgende concertdagen in een bar in Long Beach. Terwijl het trio uit Atlanta nooit moeite had hun live-energie tot op zekere hoogte ook naar studio-albums te vertalen, geldt dat deze keer des te meer. Sluit je je ogen, lukt het je immers uiterst makkelijk je te verbeelden dat je er in real life bij bent.


Openingsduo 'Watch Your Back' en 'Follow Me' maakt meteen duidelijk hoe de ver uit elkaar liggende stemmen van frontvrouw Julia Kugel (soepel en melodieus) en drumster Stephanie Luke (rauw en krachtig) elkaar perfect aanvullen, vooruit stuwen en ondersteunen. Dit gegeven krijgt nog een extra dimensie als vanaf 'Arthritis Sux' ook Meredith Franco geregeld haar naïeve, speelse toets in de vergelijking werpt. De mogelijkheden om te variëren in timbre, sfeer en dynamiek worden zo helemaal opengetrokken, een potentieel dat de band dan ook tenvolle omarmt en benut.

De Amerikaansen namen de gelegenheid niet te baat nieuw werk te introduceren, en dat heeft deze plaat ook niet nodig. Niet alleen geeft 'LIVE' een summiere staalkaart (die eventueel perfect als introductie kan dienen) van het oeuvre van Kugel & co, tevens belicht ze het talent van het combo om tegelijkertijd, catchy, snedig en intens voor de dag te komen in hun songschrijverij. Met 'Suck My Shirt' en 'Nosebleed Weekend' (respectievelijk vijf en vier songs) in een hoofdrol plukken The Coathangers één of meerdere nummers uit elke plaat sinds hun in 2007 verschenen titelloze debuut-lp.

Gedragen door potig pompende drums, een frivool groovende bas en het uiterst levendige gitaarspel van Kugel speelden The Coathangers een spitante set die nu dus voor het nageslacht bewaard zal blijven.

Wie ook de beelden van de performance wil zien, kan zich inschrijven op de The Coathangers-nieuwsbrief en krijgt zo toegang tot de hele opname op een Youtube-kanaal. Wie ook dat niet genoeg is kan het drietal dit najaar live aanschouwen. Als curator haalt Courtney Barnett hen immers naar het Sonic City festival (Kortijk, 10.11). Verder spelen ze in dezelfde periode nog in onder andere Utrecht (Db's, 24.10) en Charleroi (Eden, 09.11).



donderdag 17 mei 2018

La Luz – 'Floating Features': van een bedwelmende schoonheid


De verhuis van Seattle naar LA ging voor Shana Cleveland gepaard met een levendige activiteit in dromenland. Samen met observaties doorheen de grootstedelijke smog die een sluier over de verblindende Californische zon legt, haalt de enorm getalenteerde frontvrouw op 'Floating Features' voornamelijk hier haar thematische inspiratie uit.


Muzikaal verdampen de vroeger prominenter aanwezige surfinvloeden en andere retro-elementen op La Luz' derde langspeler samen met een hedendaagse indierockfeel tot een bedwelmend geheel. Doordat eenieder van het kwartet op zich beschikt over een geweldige instrumentbeheersing en de dames ondertussen uiterst goed op elkaar ingespeeld zijn, komt de band naar voor als een soepel en dynamisch functionerende organisme waarvan het gesofisticeerde en krachtige drumspel van Marian Li Pino de pulserende hartslag vormt. Door dit alles worden de vele subtiliteiten van Clevelands songschrijverij en gitaarspel natuurlijk aan de oppervlakte gebracht.

Geholpen door een heldere, goed gestoffeerde productie presenteert 'Floating Features' zich aldus als een levendig, groovy, indringend, meeslepend en aanstekelijk meesterwerk.

La Luz live aan het werk zien, kan dit najaar onder meer in Brussel (22.09, Botanique), Groningen (05.10, Vera) en Amsterdam (06.10, Paradiso).



vrijdag 11 mei 2018

ShitKid – 'This Is It': diepe basklanken, rauwe gitaren en popgeoriënteerde zanglijnen

Een goed half jaar na debuutlangspeler 'Fish' bracht de Zweedse ShitKid met 'This Is It' alreeds een opvolg-ep op de markt. Onder meer door het gebruik van heel wat (dragende) diepe basklanken, enkele welgemikte, rauwe gitaarpartijen en wat inkleurende synthsounds overstijgt dit diy-project van Åsa Söderqvist het gevoel van slaapkamergeknutsel ruimschoots.


De goed uitgewerkte songs steunen doorgaans op een mechanisch klinkende, repetitieve drumbeat waarover de ene keer succesvol een meeslepende riff gedrapeerd wordt (bijvoorbeeld de sludgy opener 'Favourite Thing') en die de andere keer zoals op de springerige indierocker 'Oh Me I'm Never' dan weer helemaal het skelet van het nummer vormt. De vocalen van Söderqvist klinken fris, indringend, gevarieerd en expressief en linken het geheel bij momenten via Kathleen Hanna-echo's ('High Way') aan Riot Grrrlpunk. De popgeoriënteerde zanglijnen zorgen ervoor dat elk van de zes nummers – of het nu gaat om het trippy 'All My Fears' of de op de grens van ballad balancerende afsluiter 'Yooouuu' – even aanstekelijk binnenkomt als de anderen.

Met 'This Is It' lijkt ShitKid alweer een stap vooruit te zetten en levert Åsa Söderqvist een uitermate boeiend en dynamisch werkstuk af.


dinsdag 8 mei 2018

Boytoy in Le Chaff (Brussel) op 07.05.18


Met de regelmaat van de klok pakt eet- en muziekcafé Le Chaff in de Brusselse Marollen uit met een interessant klinkende naam op de concertagenda. Met de recente release 'Night Leaf' onder de arm zakte garagerocktrio Boytoy al voor de tweede keer in enkele jaren tijd af naar de gezellige bar aan het Vossenplein.


Hoewel de band uit New York – in tegenstelling tot eerdere Europese passages – dit keer wel met een bassiste toert, moest deze voor enkele data verstek geven wegens andere verplichtingen in Zwitserland. Ook al beweert spilfiguur Saara Untracht-Oakner dat het voor hen dus wennen is, valt er – te meer daar de toeschouwers die hen al eerder in deze contreien zagen het gewoon zijn het combo zonder bas te zien optreden - in hun prestatie alvast niets van te merken. Het drietal is uitmuntend op elkaar ingespeeld, Chase Noelle drijft het hooky dansbare geheel met een dokkerende kadans efficiënt aan, Untracht-Oakner en Glenn Van Dyke weven een delicaat dooreenstrengelend gitaartapijt en beiden geven naadloos lead en ritme aan elkaar door. Daarenboven ondersteunt laatstgenoemde vocaal soepel en helder de goed bij stem zijnde frontvrouw.

Het concert kent een heftige aanvang met 'Poison Breeder' waarna al vlug werk gemaakt wordt van het voorstellen van de nieuwe plaat. Nummers als 'Mary Anne', 'Juarez' en 'It's Alright' klinken wat minder aggressief dan het meeste oudere materiaal en komen zonniger en misschien wel poppier naar voren dan ooit. Na een goed half uur geeft de ziedende brok energie 'Sailor Jenny' (uit 'Grackle') dan weer de aanzet tot een finale die haar climax bereikt met het up tempo 'Postal' en het slepende 'Pretty One'. Samen met het eerder gespeelde 'Want' bewijst deze afsluiter van de reguliere set dat redelijk typische stonerriffs in lichtvoetige indierock best wel fris voor de dag kunnen komen. Als druk gesolliciteerde toegift gooien Untracht-Oakner & co er tot slot nog het blijkbaar nooit eerder live gebrachte 'Static Age' tegenaan.

Wie later deze week naar Gent afzakt voor Psych over 9000 kan alvast met een gerust gemoed Boytoy in het tijdsschema aankruisen.

https://www.facebook.com/Over-from-underground-1466055173714208/


vrijdag 4 mei 2018

Protomartyr en Tyvek in De Kreun (Kortrijk) op 03.05.18


Ergens halverwege de namiddag krijgt Protomartyrs 's avonds in de Kortrijkse Kreun geplande optreden wat extra cachet wanneer de band uit Detroit via de sociale media een op 15 juni uitkomende release aankondigt en hierbij meteen voor het eerst in zowat een jaar een nieuw nummer (met Kelley Deal op backings ) op de wereld loslaat.


Terwijl je dus reikhalzend kan uitkijken naar een eerste live kennismaking met nog niet eerder verschenen materiaal, krijgt als opwarmer van dienst het uit de thuisstad mee naar Europa gebrachte Tyvek de gelegenheid zich voor te stellen aan het Belgische publiek. Met hun complexloos neergezette slackerrock grijpt het kwartet de geboden kans best wel met twee handen. Gedragen door een scherpe, droge, ongepolijste gitaarsound schippert het zich low profile gedragende combo tussen rammelende punk, hoekige lofi-rock en meeslepende postpunk.

Bij wijze van nog meer in de juiste mood te geraken, worden een kleine tien minuten voor aanvang van de hoofdact de zaallichten verduisterd en vullen onheilspellende soundscapes de ruimte. Zo vindt Protomartyr de ideale setting om met 'My Children' meteen de koe bij de horens te vatten. Frontman Joe Casey & co klinken van bij aanvang overrompelend qua sound en geroutineerd gesofisticeerd qua samenspel.

Net als single 'Don't Go to Anacita' komen enkele songs van de nog te verschijnen ep al vroeg aan bod. Ook zonder Kelley Deal staat het pas geloste 'Wheel of Fortune' live als een huis, en het niet nader benoemde, hieropvolgende, nagelnieuwe nummer klinkt eveneens vintage Protomartyr met haar organische gebrachte tempo- en genreswitchen, het dynamisch donderende gedrum van Alex Leonard, het monotoon pompende baswerk van Scott Davidson en het afwisselend slaande en zalvende gitaarspel van Greg Ahee.

Hoewel organisatie en de meeste toeschouwers unaniem vol lof lijken over Protomartyrs passage tijdens Sonic City van een jaar of drie geleden, schetst een schijnbaar goedgemutste Casey een context bij hun show destijds die voor hem duidelijk als mindere prestatie in het geheugen ligt. Door het vroege aanvangsuur hadden de bandleden zich immers – pogend in een recordtempo een kater van jewelste weg te werken – al snel zo gretig in de alcohol gegooid dat hun functioneren eronder leed. Deze keer slurpen Casey en de zijnen aan een gezapig tempo flesjes bier leeg, enkel om zich in hun normale staat van zijn te bevinden. De band voelt zich dan ook duidelijk in zijn sas en wekt een relaxte indruk. Dit neemt niet weg dat het viertal zich helemaal smijt en dat Casey bij zijn meest intense declamaties, schreeuwende uithalen en emotionele croonen een verbeten trek rond de mond krijgt.

Hoewel 'Relatives In Descent' eerder al uitgebreid live gepresenteerd werd in België vult deze plaat ook nu de hoofdmoot van de setlist. Waar met 'The Devil in His Youth' en 'What the Wall Said' sporadisch ook ouder werk het reguliere optreden haalde, zet 'Come & See' een zinderende finale in die helemaal een climax toegemeten krijgt via het hypnotizerend dreunende 'Half Sister'.

Scherp van geest als hij is heeft Casey vervolgens perfect ingeschat dat de zaal niet enkel gevuld is met die hard-fans, en keert hij – terwijl de anderen nog wat sanitaire verplichtingen afhandelen – in zijn uppie relatief snel terug het podium op om de gelegenheidsaanwezigen te verhinderen reeds huiswaarts te keren en aldus een bisronde uit de brand te slepen. Deze kondigt hij aan als bestaande uit twee van hun beste nummers. En geef hem maar eens ongelijk als hierop 'Why Does It Shake?' en 'Scum, Rise!' volgen. Ze vormen alleszins een uitstekend orgelpunt op een ijzersterke show.



donderdag 3 mei 2018

Boytoy – 'Night Leaf': edgy en toegankelijk

Ervan afhankelijk of je het zeven nummers tellende, titelloze debuut een ep dan wel een lp noemt, zijn de dames van Boytoy ondertussen aan hun tweede of derde langspeler toe. Drie jaar na de robuuste kracht (die behoorlijk wat melodieën herbergde) van 'Grackle', brengt 'Night Leaf' nog wat meer verfijning in het oeuvre van het viertal dat ondertussen een vaste bezetting lijkt gevonden te hebben (met naast het stichtende gitaarduo Saara Untracht-Oakner/Glenn Van Dyke Chase Noelle aan de drums en Lena Simon, – althans voor het studiowerk - op bas).


 De rauwe, directe aanpak van frontvrouw Untracht-Oakner, hierin volledig bijgestaan door de no-nonsense drumpartijen van Noelle, wordt op het nieuwe album nog meer dan voorheen gecounterd door de frivolere toets van Van Dyke die heel wat surf, stoner en jaren 70-rockinvloeden binnenbrengt. Lena Simon smeedt het geheel dan weer naadloos aan elkaar met een swingende groove. Als vanouds gaan de in-your-face vocalen (vaak ondersteund door oldies-backings) van Untracht-Oakner onderwijl onophoudelijk op zoek daar de meest catchy melodie en de meest verslavende hook.

 Aldus levert Boytoy met 'Night Leaf' een tegelijkertijd edgy en toegankelijke gitaarplaat af die garagepop, indierock en stoner op organische wijze met elkaar verbindt.

 Boytoy live aan het werk zien kan binnenkort onder meer in Brussel (Le Chaff, 07.05) en Gent (Psych over 9000, 10.10).


dinsdag 24 april 2018

White Mystery – 'Hellion Blender': wat genekt door kwantitatieve doelstellingen


Helemaal volgens vooropgezet plan brengt White Mystery al voor het tiende opeenvolgende jaar op de officieuze cannabisdag een nieuwe release op de markt. De vraag of artistieke expressie zich idealiter in dergelijk arbeidsethos laat vangen stelt zich echter allengs luider. Instrumentbeheersing, samenspel en sound mogen er in al die jaren dan gestaag op vooruit gegaan zijn, als je ook inspiratie, bezieling en overtuigingskracht mee afweegt, blijkt in het totaalplaatje toch niet echt een constant stijgende lijn te zitten.


Op 'Hellion Blender' heeft het roodharige broer/zus-paar ternauwernood twintig minuten nodig om er tien songs door te jagen. Drie daarvan zijn dan nog spoken word expressies van Francis White. Terwijl 'Unlucky XIII' nog lichtjes bij hiphop aansluit, is 'Disco Ball' een onbegeleide declamatie en bevindt het afsluitende 'Part Deux' zich tussen beiden in. Ook al beschikt de drummer over een prima voordrachtstem, haalt de in de ik-vorm gebrachte associatieve beatpoëzie die onder meer populaire cultuur, religie, geschiedkunde, filosofie en enkele subculturele uitspattingen linkt aan persoonlijke impressies eigenlijk nauwelijks het niveau om op zichzelf overeind te blijven.

Neem daar nog bij dat 'White Mystery Tv' het soort vereenvoudigd punkrocknummer is waar enkel Shonen Knife zonder ironie mee wegkomt en dat bij 'Goody Two Shoes' (dat ook nog eens “remember” op “September” laat rijmen) aan de frasering te weinig werd gesleuteld om ongekunsteld in het metrum te passen, en de spoeling wordt wel heel erg dun. Wat overblijft zijn dan een handvol helder geproducete, even vlot in het oor liggende als volatiele, strak stompende garagepunksongs. Frontvrouw Alex zingt hierop naar goede gewoonte soepel, krachtig en helder, gaat beheerst om met distortion en weet zelfs enkele keren te verrassen met een welgemikt streepje wah-wah. Dit terwijl Frances alles aandrijft met een strak pompende kadans.

Met 'Hellion Blender' haalde White Mystery de bij de oprichting opgestelde doelstellingen. Toch lijkt het duo nog niet van plan er het bijltje bij neer te leggen. Vermits het album echter niet tot hun beste werk behoort, is het misschien een beter idee voor het volgende decennium niet langer kwantitatieve objectieven te stellen, en resoluut voor kwaliteit te gaan.

https://www.facebook.com/Over-from-underground-1466055173714208/


vrijdag 13 april 2018

Trapper Schoepp in Café De Zwerver (Leffinge) op 12.04.18


Twee jaar na zijn rol als voorprogramma van Jesse Malin keerde Trapper Schoepp terug naar Leffinge. Zorgde een lokale kruidenier vorige keer nog voor enige opschudding, was Café De Zwerver de jeugdige singersongwriter indertijd al gunstig gezind, en ditmaal is dat niet anders.


Nadat DJ Willie met een selecte keur uit het beste dat folk, blues, country en aanverwanten in de loop der jaren hebben opgeleverd, het pand op de juiste temperatuur heeft gebracht, kiest Schoepp, geruggensteund door een driekoppige band, in een aardig gevulde zaal die grotendeels niet heel vertrouwd overkomt met 's mans oeuvre, voor een erg directe aanpak met een overdaad aan podiumcapriolen, een uitgebreide interactie met het publiek en heel wat covers. Zo vuurt het combo uit Wisconsin, in een standaard rockbezetting, met 'Freight Train' van Sister Double Happiness meteen een meezinger van formaat het café in.

Na een op hetzelfde elan voortgezette, energieke, up-tempo start met onder meer 'Pins and Needles' uit debuut 'Run Engine Run' en 'Welcome to Bay Beach' uit de meest recente ep, is ergens halverwege de set het moment aangebroken voor enkele ballades die volledig prijsgeven wat een geweldige songwriter in Schoepp schuilt. Nummers als 'Ogallala', 'Tilt-a-Whirl' en 'The Scat', waarvoor Trapper zijn elektrische gitaar voor een akoestisch exemplaar verruilt, krijgen de tijd en ruimte zich in al hun schoonheid te ontplooien.

Niet alleen in zijn songs toont Schoepp zich een geboren verteller, maar evenzeer in zijn dikwijls goed gestoffeerde, telkens boeiend gehouden bindteksten. Op die manier kom je bijvoorbeeld te weten dat 'On Wisconsin' ondertussen officieel een samenwerking tussen Schoepp en Bob Dylan mag genoemd worden. In aanloop naar de dynamische finale die haar eindpunt vindt in het spitante 'Mono, Pt. 2' krijgt niet alleen een herneming van een Dylannummer haar plaats, maar komen ook Neil Young, Elvis en Bob Seger aan bod. Enkel geflankeerd door broer Tanner besluit Trapper vervolgens na ruim 75 minuten het uitermate onderhoudende optreden bissend met een breekbare versie van 'Bye Bye Love' (Everly Brothers).

Schoepp en de zijnen brachten aldus een show met een hoog entertainmentsgehalte, die helemaal af was. Het kwartet kan zich overigens zeker en vast nog wat meer vertrouwen op de solide overtuigingskracht van het eigen materiaal verloorloven.

Dit weekend kan je Trapper Schoepp (gratis) aan het werk zien in Eindhoven (De Rozenknop, 14.04) en Weert (De Bosuil, 15.04).



maandag 9 april 2018

Slow Bear en Granola Import in Café Libertad (Leuven) op 08.04.18


Zoals ieder voorjaar biedt Café Libertad in de Leuvense Munststraat ook in 2018 een reeks interessante zondagavondconcerten aan. Dit keer kwamen het lokale Slow Bear en de Mechelse singersongwriter Granola Import aan bod.

Granola Import vat de avond uitstekend aan met een beknopte set waarbij hij zijn diepe vocalen enkel begeleidt met accordeon. Waar deze opstelling de feel vaak richting zeemansliederen trekt, weet hij dit gegeven echter met een indringende, artistieke doorleefdheid te doorweven zodat het geheel eerder een Kurt Weil-achtige inslag krijgt.


Ook al bracht Slow Bear slechts enkele maanden geleden pas een nieuwe plaat op de markt, grijpt hij de gelegenheid reeds aan recent geschreven materiaal te testen op een livepubliek. Openen doet de Leuvenaar weliswaar met de straightforwarde, van een catchy mondharmonicapartij voorziene folk van albumafsluiter 'Quarter of a Story', maar hierna komen meteen enkele kakelverse songs aan de beurt die met hun ritme-, dynamiek- en stemtimbrewisselingen merkelijk grilliger van structuur zijn.

Geleidelijk aan kruipt het optreden op die manier volledig onder de huid, en word je zonder het goed en wel te beseffen helemaal in de sfeer gezogen. Het up-tempo openingdsduo van 'Fucking Off' brengt vervolgens de vaart in de show waarna de hypnotizerende meestamper 'Hippie Hustle' moeiteloos voor een boost in de dynamiek zorgt. Voor het laatste op akoestische gitaar gebrachte nummer vraagt Slow Bear de bassist waar hij meer dan een decennium geleden mee in Grant Moff Tarkin zat, en openingsact Granola Import (met trekharmonica) het podium op. Wat volgt is een heupwiegende ballade die zowel emotie en sterke songschrijverij als zichtbaar spelplezier herbergt.

Voor het beklijvende 'Pale Bird Blues' wordt dan de elektrische gitaar omgegord. Met enorm veel feeling de snaren beroerend, legt de man, terug in zijn eentje het podium bevolkend, zonder efffectpedalen een krachtige, directe, sound neer. 'Spirit Broken (I Fixed It)', waar de gitaarpartijen zich af- en aanzwellend rond een pianosample weven en dat in zijn fade out telkens een verschillend, kort stukje cover incorporeert, eindigt dit keer met een streepje 'I'm Not Like Everybody Else' van The Kinks wat erg toepasselijk overkomt bij deze songwriter die consequent zijn eigen koers vaart. Single 'Normandy and Me', waar Granola Import nog een keer met zijn lage vocalen voor ondersteuning zorgt, vormt tenslotte een prima sluitstuk op een muzikaal erg interessante avond voor al wie open stond zich met lak aan normen en conventies te laten onderdompelen in de wereld van Slow Bear.

https://www.facebook.com/Over-from-underground-1466055173714208/


donderdag 5 april 2018

The Breeders – 'All Nerve': intuïtief, organisch en oprecht


Eerst even een flashback: In volle 'Nevermind'-nasleep vraagt Kurt Cobain zich middenin een interview in een MTV-studio luidop en wat geagiteerd af wie verantwoordelijk is voor het storende lawaai op de aanpalende gang. Als een medewerker na een korte check komt melden dat het om Kim Deal gaat, smelt niet alleen zijn ergernis zichbaar weg als sneeuw voor de zon en wordt alles met een glimlach zo gelaten, maar krijgt Cobain tevens voor even zelfs een guitige twinkeling in de ogen. Deze situatie geeft symbolisch aan hoe Deal in de jaren 90 een hele generatie moeiteloos had ontwapend.


Haar innemende, no-nonsense persoonlijkheid en haar onconventionele, catchy, op maat van een naar authenticiteit snakkende generatie gesneden songschrijverij maakte dat de ze in het post-Pixies tijdperk de door media en fans gevoerde strijd met de wat norsig overkomende Frank Black volledig in haar voordeel beslechtte. Niets uit Blacks solo-werk zou daarenboven ooit op zoveel airplay kunnen rekenen als The Breeders-singles 'Cannonball', 'Divine Hammer' en 'Saints'.

De tijdsgeest en het muzieklandschap mogen ondertussen duchtig veranderd zijn, The Breeders, die vijfentwintig jaar na succesalbum 'Last Splash' voor het eerst met dezelfde bezetting richting studio trokken, werken nog steeds volgens hetzelfde principe. Tegenover de meeste andere platen verhoudt 'All Nerve' zich dan ook als een powerpointpresentatie ten opzichte van een gedegen uiteenzetting tussen pot en pint. Nummers beginnen vaak in medias res, ontplooien zich intuïtief en drijven op een bochtige, natuurlijke groove.

Net als het geval is voor zus Kelley, die (op 'Howl at the Summit' eenmalig geassisteerd door Courtney Barnett) kwistig backings rond de lead weeft, sijpelt Kims aimabelheid helemaal door in haar warme, lichtjes hese vocalen. Dit staat in schril contrast met de kille, Britse tongval van basssiste Josephine Wiggs die de hoofdpartij van 'MetaGoth' voor haar rekening neemt en zo voor het meest opvallende nummer op de plaat zorgt. In het dynamische geheel dat de langspeler is, overheerst immers de complexloze toon.

'All Nerve' zal geen aardschokken in de muziekwereld veroorzaken en zal hoogstwaarschijnlijk zelden de programmatie van de meeste radiozenders halen, maar weerspiegelt wel perfect de relaxte, oprechte manier waarop de Deal-zussen altijd met muziek zijn omgegaan.

https://www.facebook.com/Over-from-underground-1466055173714208/


maandag 2 april 2018

Interview Trapper Schoepp: “Micro verhaaltjes over macro thema's.”


Als piepjonge singer-songwriter uit Wisconsin trok Trapper Schoepp, geflankeerd door begeleidingsband The Shades, enkele jaren terug met debuut 'Run Engine Run' al snel de aandacht van heel wat americana-grootheden zoals The Jayhawks en The Wallflowers, die hem meteen inschakelden als openingsact. Leverde dit een gestaag groeiende populariteit op in zijn thuisland, is – een lp en enkele ep's later – het moment nu aangebroken ook in Europa voet aan de grond trachten te krijgen. Zowat exact twee jaar geleden dook de erg getalenteerde Amerikaan een eerste keer solo en akoestisch op in onze contreien, toen Jesse Malin hem op sleeptouw nam. Binnenkort steekt hij met full band de oceaan over voor een tour die hem naar Italië, Duitsland, Nederland, België en Zweden brengt; een ideaal moment m.a.w. om Schoepp eens te polsen naar verwachtingen, voorbije ervaringen en een huidige stand van zaken.


Hoe heb je die eerste optredens op Europese bodem indertijd beleefd?
Schoepp: Het was een stormachtige trip met Jesse als kapitein van het piratenschip. Elke keer we ergens aanmeerden, gebeurde wel iets interessants. Zo kwam ik in een kleine Belgische gemeente blijkbaar verdacht over op een cassière van een supermarkt die prompt de politie belde. Terwijl ik, me daar volledig niet van bewust, een hele dag wat ronddwaalde in de omgeving, werd een lokale klopjacht gehouden op “de jongeman met de rode pet”- ik dus. Dit kreeg ik echter allemaal pas te horen toen ik terug bij onze – inmiddels grondig doorzochte – tourbus kwam. In Spanje zetten de authoriteiten ons dan weer in het midden van de nacht aan de kant van de weg vanwege een probleem met een veiligheidsgordel. We kregen onze paspoorten pas terug, als we duizend dollar betaalden. Los van zulke zaken was het publiek iedere keer geweldig!

Voel je deze keer een ander soort druk nu je de tour headlinet?
Schoepp: Onderweg moet je natuurlijk altijd een beetje zen zien te blijven of je wordt helemaal gek. Eigenlijk bekijk ik het gewoon dag per dag. Elk concert is toch altijd anders.

Na doorbraakalbum 'Run Engine Run' zijn The Shades uit de groepsnaam verdwenen, en voerde je – met jouw broer Tanner (bas) als enige constante- heel wat personeelswissels door. Heb je ondertussen terug een vaste band rond je verzameld of vat je elk nieuw project aan met andere muzikanten?
Schoepp: The Shades zijn niet echt ontmanteld, maar in dit digitale tijdperk leek het ons makkelijker mij naar voor te schuiven als solo-artiest die af en toe met een groep opdaagt, vooral omdat ik geregeld in verschillende constellaties en lineups toer, wat wel verwarrend over kan komen. Ik houd er overigens erg van om met pickup bands te spelen. Voor mijn generatie is dat een beetje een vergeten kunst. Terwijl ik enorm veel plezier kan beleven aan de spontaniteit van dit gegeven, vind ik een strakke eenheid uiteraard ook geweldig. Dit keer zullen we als kwartet komen met Michael Stewart op drums en Matt Smith op elektrische en slide gitaar.

Hebben die veranderingen de koerswijziging op 'Rangers and Valentines' in de hand gewerkt? Terwijl je nog steeds sterke invloeden van traditionele Amerikaanse genres zoals folk, country en blues blijft behouden, lijkt de originele indierockvibe wat verloren gegaan.
Schoepp: Volgens mij is het vooral de hand van producer Brendan Benson die verantwoordelijk is voor de grootse, wat bombastische feel van de plaat.

Eén van je grote troeven is je prachtige, emotioneel expressieve stem. Zijn er hedendaagse zangers/zangeressen waar je zelf van onder de indruk bent?
Schoepp: Christopher The Conquered! Hij doet weliswaar aan vocale gymnastiek, maar op een dusdanige manier dat het heel intiem aanvoelt. Verder ben ik dol de wijze waarop de First Aid Kit-zussen samen zingen. Het is een moderne uitvoering van een ouderwetse, intrafamiliale zangtraditie. En ook naar Ezra Furman luister ik heel veel.

Zou je, op basis van zijn backingwerk en de paar keer dat hij bij jullie de lead neemt, trouwens kunnen stellen dat Tanner, louter op technisch vlak dan, minstens even goed zingt als jij?
Schoepp: Dat is helemaal waar! Op de middelbare school zat hij in een vocaal jazz ensemble waar ik ook bij solliciteerde, maar niet voor weerhouden werd.

Heb je concrete (muzikale) ambities of laat je alles liefst gewoon op je afkomen?
Schoepp: Vast en zeker het tweede. Ik zie wel waar de wind me brengt.

Tekstgewijs slaag je er telkens in een kleine plot, interpretatie of situatie te vertalen naar een tijdloos idee of gevoel waar veel mensen zich betrokken bij kunnen voelen. Werk je daar bewust naartoe?
Schoepp: Als songschrijver houd ik er een sterke “show, don’t tell”-attitude op na. Op die manier kan ik toch ook nog mijn mening ventileren over hedendaagse hete hangijzers. Als je alles bij elkaar neemt is 'Ballad of Olof Johnson' bijvoorbeeld een verhaal over immigratie, en ik schreef ook nummers die mijn positie tegenover de oorlog in Irak, wapengeweld en recent nog de Me Too beweging duidelijk maken. De beste omschrijving van het hele proces is dat ik micro verhaaltjes over macro onderwerpen schrijf. Het is soms een gewaagde evenwichtsoefening, maar dat is mijn uitgangspunt.

Als een soort moderne troubadour komt dit alles mooi samen op 'Bay Beach Amusement Park'. Deze ep is sterk historisch en regionaal verankerd, en toch slaag je erin de thema's naar een universeel level te brengen. Vanwaar kwam het idee?
Schoepp: De kiem ontsproot tijdens een ritje op de Zippin Pippin, de achtbaan waar Elvis een dikke week voor zijn dood uren in door bracht. Ik schreef er een nummer over dat opgehangen was aan het klikklakkende geluid van het toestel. Hoe vaker ik hierna het park bezocht, hoe meer elke attractie een muzikale ruimte creëerde in mijn geest. Al bij al zijn pretparken echt wel muzikale plaatsen, en dat merk je indien je er eens bij gaat zitten en gewoon luistert. De songs bevatten natuurlijk ook allemaal een metaforisch niveau. Zo gaat 'Ferris Wheel', een nogal surreële vertelling over twee jongens die vast komen te zitten in het reuzenrad, uiteindelijk over het Stockholm syndroom. En de lyrics van 'Bumper Cars' vonden hun oorsprong in de gigantische botsing van ideeën in de aanloop naar de Amerikaanse verkiezingen van 2016.

In het eerder genoemde 'Ballad of Olof Johnson' geef je aan van Zweedse voorvaderen af te stammen. Heb je ook weet van andere Europese familiewortels?
Schoepp: Nog niet, maar we zullen binnenkort in Zweden eens wat navraag doen!

Zit er, tenslotte, nieuw werk in de pijplijn?
Schoepp: We hebben net twee weken studiotijd achter de rug met Pat Sansone van Wilco en Autumn Defense. Ik ben heel trots op wat we daar gepresteerd hebben. Hou het in de gaten, zou ik zeggen!

Uiteraard!

Trapper Schoepp live aan het werk zien kan binnenkort onder meer in Leffinge (Café De Zwerver, 12.04), Eindhoven (De Rozenknop, 14.04) en Weert (Muziekcentrum De Bosuil, 15.04).



dinsdag 27 maart 2018

Sloppy Jane – 'Willow': scheve nursery rhymes en riot grrrl-grunge


Eerder dan als een klassieke band voelt Sloppy Jane aan als een conceptueel project met naast muzikale ook breder artistieke en maatschappelijke aspiraties. Het auditieve, het visuele en het thematische worden namelijk naadloos op elkaar afgestemd en lijken evenwaardig qua aandeel in de totaalbeleving. Van bij de allereerste kennismaking met de bende rond Haley Dahl springt bijvoorbeeld direct in het oog dat protestnaakt een belangrijke plaats in het geheel inneemt.


Net zoals de videoclip voor 'Potassium (We Saw Everything)' geven het psychotisch gelach en de 'They're Coming to Take Me Away'-feel op albumopener 'King Hazy Lady' duidelijk aan dat waanzin en psychiatrie een andere peiler vormen waar een significant deel van de constructie aan opgehangen is. Verder duikt even later ook het terugkerende motief van de kindertijd duidelijk op de voorgrond. 'Kitchen Store' is met name het soort scheve nursery rhyme dat op dEUS' 'My Sister = My Clock” allerminst misstaan had.

Met laatstgenoemde plaat heeft het hele album – onder meer vanwege een heleboel bruuske tempowisselingen en een aantal drukke samples – overigens ook het wat rommelige bricolagesfeertje gemeen. Genregewijs schiet 'Willow' daarenboven vele kanten uit, dikwijls zelfs binnen een song. Leunen de gitaarpartijen zowel qua sound als qua spel vaak aan bij de no wave uit Sonic Youths beginperiode, kom je evengoed een flinke dosis lofi singersongwriter, een smerige lap riot grrrl-grunge, een streepje croonerjazz of een flard dance tegen.

Op die manier draait Sloppy Janes langspeeldebuut uit op een experimenteel, rauw, chaotisch en best wel vervreemdend werkstuk.



vrijdag 9 maart 2018

Romano Nervoso – 'I Don't Trust Anybody Who Doesn't Like Rock n Roll': energiek, catchy en instant toegankelijk


Romano Nervoso's zelfverklaarde spaghetti rock, die nog steeds een mix is van punk en glamrock, komt op de derde langspeler van het vijftal uit La Louvière snedig, krachtig en gebald voor de dag. Eens te meer laten frontman Giacomo Panarisi & co emotie, opstandigheid en entertainment vlotjes hand in hand gaan.


Gedragen door een eerlijke, in-your-face gitaarsound grijpt het up-tempo openingstrio, waaronder vooruitgeschoven single 'Rather Kill a Man' – dat afgaande op enkele interviews Panarisi's groeiende teleurstelling in de mensheid veruitwendigt – je meteen bij de kraag met zijn
energieke, catchy en instant toegankelijke punkrock. Daarmee is de toon voor de rest van het album dan ook definitief gezet.

De Italo-Belgen werken als vanouds met direct verwoorde, herkenbare thema's en aarzelen niet er geregeld enkele rockgemeensplaatsen tegenaan te mikken. Romano Nervoso's arbeidersklasserock beschikt echter over zulk een onmiskenbare geloofwaardigheid en authenticiteit dat het hele plaatje – met een spotlight op Panarisi's onafscheidelijke glitterbroek die het deze keer zelfs tot albumhoes schopte – ten allen tijde volledig klopt.

Dat geldt evenzeer voor de samenwerking met BJ Scott die met de slepende classic rock van 'In My Mind' een nummer helemaal op maat van haar soulvolle bluesstem krijgt aangeboden. Panarisi valt als zanger trouwens allerminst door de mand tijdens dit duet. Grootste verrassing en één van de hoogtepunten van de plaat vormt hierna afsluiter 'Meet the 300 Sicilians' dat met zijn westernritme en diep grommende croon toch wel een buitenbeentje vormt in het oeuvre van de band.

Liefhebbers van ongecompliceerde rock recht uit het hart vinden op 'I Don't Trust Anybody Who Doesn't Like Rock n Roll' met andere woorden zeker hun gading.



dinsdag 6 maart 2018

Dick Stusso – 'In Heaven': opkomst van een antiheld


De bescheiden rijzende popularitieit van Dick Stusso geeft aan dat er stilaan weer ruimte komt voor een antiheld in de muziekindustrie. Na een drietal jaar geleden te hebben gedebuteerd op het kleine Vacant Stare Records maakt hij voor 'In Heaven' de overstap naar het ondertussen reeds behoorlijk gerenomeerde Hardly Art.


In songs als 'The Bullshit Century Pt.1' en 'Modern Music' geeft Stusso (né Nic Russo) aan zich niet helemaal in zijn sas te voelen in zowel de moderne maatschappij als in het hedendaagse muzieklandschap, wat zich in zijn singersongwriterschap gereflecteerd ziet door het voornamelijk terugvallen op traditionele genres als country, blues, jazz, folk en rock-'n-roll. De Californiër beschikt evenwel over een rijke, levendige en qua timbre gevarieerde stem die je van meet af aan toezingt als een oude bekende in wiens gezelschap het goed toeven is.

Waar een aantal nummers zoals het eerder genoemde 'Modern Music' zelfzeker worden voortgeschuwd door een ongecompliceerde beat, schrikt Stusso er op andere momenten dan weer niet voor terug om de boel complexloos te laten kabbelen. Enkel bij 'The Big Car Commercial Payout', dat niet alleen voorzien werd van een noisy gitaarpartij maar dat tevens drijft op een modernere, nerveuze kadans, valt een ietwat eigentijdse feel te bespeuren.

Met nagenoeg enkel klassieke elementen levert Dick Stusso aldus een even eenvoudige als mooie plaat af die het hoofdzakelijk moet hebben van 's mans beweeglijke vocalen.



dinsdag 27 februari 2018

Scott Yoder in Le Chaff (Brussel) op 26.02.18


De gratis maandagavondconcerten van eetcafé le Chaff in het hart van de Brusselse Marollenwijk getuigen steevast van een weldoordachte programmatie. Zo krijgt ook de uitmuntende singersongwriter Scott Yoder de gelegenheid zijn nieuwe album 'A Fool Aloof' voor te stellen aan het Belgische publiek.


Vergeleken met twee jaar geleden is in zijn begeleidingsband enkel de strak en spitant groovende drummer Giacomo Papini dezelfde gebleven. Ook in de nieuwe line up oogt het viertal enorm goed op elkaar ingespeeld wat niet alleen betekent dat ze zelfs in een piepkleine ruimte met beperkte middelen een indrukwekkende en sfeervolle totaalsound neerleggen, maar tevens dat ze in staat zijn ten allen tijde de song op de voorgrond te plaatsen, en tegelijkertijd speels en soepel kunnen omgaan met de dynamiek. Dat hun Europese maand stilaan tegen haar einde loopt is hier uiteraard niet vreemd aan. Bovendien zorgt dit ervoor dat drie nog niet verschenen, pas tijdens de huidige tour uitgewerkte en op punt gestelde songs de setlist halen.

Nadat Yoders op Europese jaren 30-films geïnspireerde stage persona met onder meer gezichtsglitter en een inktzwarte cape via een trap richting podium afdaalde, ligt de focus bij aanvang van het optreden volledig op 'A Fool Aloof'. Een heupwiegende versie van het uit de 'The Trespasser'-ep heropgeviste 'Where Are They Now?', een surferige uitvoering van 'Ways of Love' en het van een exotisch dansbaar tintje voorziene, frivole 'Back to the Story' vormen het openingstrio.

Vervolgens worden ouder en ultranieuw, gekoppeld aan meeslepend kabbelend en snedig in een dynamisch geheel verwerkt waar geregeld een krachtige gitaarsolo uitgescheurd komt en dat als een uiterst aanstekelijke symbiose van folk en jaren 70-rock kan gezien worden. Dit leidt onder meer tot een ingetogen, het publiek bij de act betrekkende versie van 'Songs to Strangers' waarna een cover van Iggy Pops 'I'm Bored' het energielevel laat boomen. Via nummers als het stompende 'Goodbye Lady Day' en het licht psychedelische 'Children's Games' werken Yoder & co zo toe naar de up-tempo afsluiter 'Where Does She Go?'

Tijdens een druk gesolliciteerde, kernachtige bisronde die met orgelpunt 'Children of the Revolution' van T. Rex Yoders glamrockinvloeden nog eens finaal in de verf zet, giet de frontman in een dramatisch moment een aanzienlijke dosis kaarsvet in zijn mond, waarna de show er definitief op zit. De uit Seattle afkomstige artiest bewees eens te meer dat het goed wonen is waar een uitstekende songschrijver en een begeesterende frontman onder één dak huizen.

https://www.facebook.com/Over-from-underground-1466055173714208/


zondag 25 februari 2018

Heimat + Attic Ted + Seb and the Rhâââ Dicks in Water Moulin (Doornik) op 24.02.18


In een tot alternatieve concertlocatie omgedoopt rijhuis aan de treinsporen van Doornik kan je in een aangename laissez-faire atmosfeer met de regelmaat van de klok terecht om enkele uiterst interessante optredens te gaan beleven. Maakte Heimat met hun popgevoelige coldwave vorig jaar nog indruk op de planken van de Botanique (als voorprogramma van Protomartyr), zakken ze voor hun volgende Belgische passage af naar Water Moulin, waar eerst nog enkele muzikale excentriekelingen de tijd en ruimte krijgen de zaal op te warmen.


Ondanks de naam schuilt achter Seb and the Rhâââ Dicks een eenling. Deze Fransman houdt het midden tussen een cynische singersongwriter en een sarcastische stand-up comedian. Seb wisselt bedrieglijk knullige lofi-ballades af met op voorhand opgenomen en via cassetterecorder afgespeelde up-tempo punkrocknummers waarboven hij, in het publiek duikend, een pastiche neerzet op het clichébeeld van de agressieve punkfrontman.

Ook Attic Ted kan je geen gebrek aan theatraliteit verwijten. Voorzien van twee enorme maskers (een mannelijk en een vrouwelijk) en heel wat instrumenten verzorgt de Texaan het entertainment door op bizarre wijze dance, folklore, punk en cabaret naadloos tot een geheel te smeden. Vaak valt hij terug op twangy westerngitaren boven een even plompe als aanstekelijke carrnavalsbeat waarop het in de zaal makkelijk hotsen en botsen is, wat dan ook uitbundig gebeurt.

Heimat opent vervolgens loeihard met het weemoedige 'So traurig' en het minimalistische 'Dein Architekt'. Knoppendraaier Olivier Demeaux creëert zijn indrukwekkende sound met donkere beats en diep brommende bassen live onder meer aan de hand van een hele batterij voorversterkers. Als hij voor een nieuw nummer de schuiven wat verder wil opentrekken, is het duo echter vertrokken voor minstens een dik half uur technische problemen. Frontvrouw Armelle Oberle vertelt dan maar een grap, maar die blijkt niet lang genoeg om het euvel te verhelpen.

Uiteindelijk zet Heimat op hoop van zegen 'Tot und Hoch' in, al valt de klank heel het nummer door met de regelmaat van de klok (deels) weg. Hieropvolgend wordt een lang uitgesponnen 'Trocadéro' gebruikt om de sound op punt te stellen, waardoor het beoogde effect in de opbouw als eerste hoogtepunt uiteraard verloren gaat. Hierna lijken de problemen evenwel definitief van de baan.

Met ondermeer 'Pompei', een op een snedig marsritme geënt, energiek nieuw nummer en logische afsluiter 'Wek' duurt de ingezette finale net lang genoeg om uiteindelijk toch helemaal in de sfeer te geraken. Oberle die van meet af aan besloten had er een expressieve performance van te maken klinkt scherp en snedig, terwijl Demeaux een bezwerende geluidsmuur optrekt. Water Moulin trekt bovendien een heel positief en dankbaar publiek aan dat zich zonder enig verwijt richting onvoorziene omstandigheden volledig laat gaan, waardoor het optreden alsnog succesvol uitdraait. Als wederdienst gooit het tweetal uit Straatsburg er nog een welverdiende bisronde tegenaan waarbij 'Wieder Ja' en de militaristische nieuwe song uitgebreid hernomen worden.

Hoe laat het ondertussen ook geworden is, in Doornik lijken ze vervolgens niet van plan het ingezette feest snel af te breken.




maandag 12 februari 2018

Shannon & the Clams – 'Onion': hartverscheurend

Onder invloed van een bijzonder dramatische gebeurtenis is Shannon & the Clams' vijfde thematisch erg zwaarbeladen uitgedraaid. Eind 2016 ging een tot gemeenschapshuis voor kunstenaars allerhande omgebouwd en tot Ghost Ship omgedoopt pakhuis in Oakland – een soort vrijhaven waar de bandleden kind aan huis waren – in vlammen op waarbij zesendertig bewoners en bezoekers het leven lieten. Dit kerfde uiteraard diepe wonden in de ziel van Shannon Shaw & co en heeft aldus een niet geringe invloed uitgeoefend op 'Onion'.


Op deze langspeler grossiert de band natuurgetrouw in de hun kenmerkende, hedendaagse indiebenadering van oldies pop, waar ze onder meer de groove, de rond reverb en echo gecentreerde sound en de overvloedige arrangementen met vaak in effect verdrinkende backingharmonieën van recycleren. Het helpt natuurlijk dat frontduo Shaw en Cody Blanchard beiden vocaal moeiteloos kunnen terugvallen op zowel de emotionele rasp als op de melancholische snik zoals je die bij pakweg Del Shannon, The Marvelettes of The Everly Brothers ook kan tegen komen.

Onion opent spitant met in het openingstrio al meteen de twee vooruitgeschoven singles 'The Boy' en 'Backstreets' waarop Blanchard accuraat een beeld van binnenuit schetst van het type Ghost Ship-bezoeker. Vaagweg Harry Belafonte in herinnering brengend, krijgen 'If You Could Know' en 'I Never Wanted Love' vervolgens een licht Caraïbische toets mee door respectievelijk de swingende zanglijn en het door de bas aangegeven zwierige ritme, een feel die even later ook op de titelsong nog eens komt aanwaaien.

Dan is het met 'Did You Love Me?' tijd voor de tegelplakker van dienst, waarna op het eerdere, vinnigere elan wordt vedergegaan, bij momenten (bv. 'I Leave Again') zelfs door er een authentiek westernmotief tegenaan te gooien. Zo gaat het Californische kwartet in rechte lijn richting hartverscheurend slotakkoord waar eerst Blanchard ('Strange Wind') en dan Shaw ('Don't Close Your Eyes') elk op zijn/haar eigen manier nog een laatste keer terug komt op de dramatische feiten die hen duidelijk ten zeerste hebben aangegrepen.

Op die manier leveren Shannon & the Clams met 'Onion' hun meest indringende en waarschijnlijk tevens beste werkstuk totnogtoe af. Tijdens het beluisteren is het schier onmogelijk er onberoerd door te blijven.

https://www.facebook.com/Over-from-underground-1466055173714208/

vrijdag 26 januari 2018

Mozes and the Firstborn – 'Cassette Club EP': levendig en catchy

Om de oprichting van de Mozes Cassette Club aan te kondigen bracht Mozes and the Firstborn zopas een gelijknamige, vier nummers tellende ep uit via Soundcloud. Als lid van de club krijg je voor de som van 50 euro (plus verzendkosten) tussen maart en september maandelijks een cassette opgestuurd met daarop steevast in primeur een nieuwe single, onuitgegeven demomateriaal en wat duiding bij de songs. Naar verluidt zijn de plaatsen beperkt. Snel zijn is dus de boodschap, zeker als je ook kans wil maken op nog een (gratis) ticket voor hun reeds enige tijd uitverkochte show in Utrecht van volgende week.


Met zodus op zijn minst zeven singles in het verschiet belooft het weer een erg productief jaar te worden voor het Eindhovense kwartet. En nu is er dus alvast die eerste ep. Vanaf de over liefdesperikelen handelende opener 'By N By' waarvan het bruggetje opgeleukt werd met reciterende vocalen van Kelsey Reckling, zijn het hoofdzakelijk jaren 60 en jaren 90-invloeden die om de bovenhand strijden. In de productie is een prominente rol weggelegd voor de statig pulserende ritmesectie en de instant meeslepende leadstem terwijl een rauwe gitaarsound hier iets onder zijn verschroeiende werk doet. Opmerkelijk is de aan Thin Lizzy refererende twin guitarsfeel op het luchtige 'Beer Commercial Music' dat verder drijft op een door de koffiemangel gehaalde rock-'n-rollriff. De ep klinkt in zijn geheel catchy, levendig en ongedwongen. Op die manier is Mozes and the Firstborn het nieuwe jaar alvast goed begonnen.

Mozes and the Firstborn live aan het werk zien kan binnenkort onder meer in Amsterdam (26.01, Van Gogh Museum, akoestisch), Utrecht (31.01, ACU, uitverkocht), Kootwijk (04.02, Grasnapolsky Festival), Nijmegen (31.03, Merleyn) en Rotterdam (07.04, V11).

https://www.facebook.com/Over-from-underground-1466055173714208/

dinsdag 23 januari 2018

Slow Bear – 'Fucking Off': avontuurlijk en doorleefd

Ondanks dat hij nog steeds in zijn uppie acteert, weet Slow Bear op tweede langspeler 'Fucking Off' een waar bandgevoel op te wekken, onder meer door middel van een resem gitaarlagen, een sporadisch opduikende bas, heel wat backing vocals en een door doorgedreven percussie aangedreven snedige kadans.


Het zwierig stompende 'Porno Jack' zet meteen de toon voor het eerste deel van de plaat dat misschien wel zijn culminatiepunt vindt in de psychedelische garagerock van de reeds eerder als single verschenen titelsong. In een karaktervolle productie die niet altijd meteen duidelijk maakt op welke manier de analoge beats tot stand kwamen – zorgt het voortstuwende ritme voor behoorlijk veel schwung in de albumaanhef.

Het kantelpunt ligt vervolgens in het tegelijkertijd bezwerende en erg beklijvende 'Spirit Broken (I Fixed it)' waarop vederlichte pianotoetsen en fuzzy gitaarpartijen met elkaar in een lang uitgesponnen, meeslepende, af- en aanzwellende dialoog treden. Te beginnen met de breekbare pianoballade 'As Far As My Mind Drifts' wordt de sfeer hierna voor even wat ingetogener, en gaat de Leuvenaar min of meer verder waar debuut 'Pale Morning Fades' ophield. Met onder meer het lofi-rockerige 'Drowned' werkt hij zo toe naar afsluiter 'Quarter of a Story' dat met zijn hooky mondharmonicamotief Slow Bears liefde voor jaren 60-folk alsnog expliciet in de verf zet.

Ook op 'Fucking Off' blijft Slow Bear ver weg van de in americana en rootsmuziek vaak platgetreden paden; hij zoekt integendeel een avontuurlijker pad in onherbergzamer gebied. Het album klinkt bijgevolg edgy, doorleefd en uit noodzaak ontstaan.


Slow Bear live aan het werk zien kan binnenkort onder andere in Hasselt (16.02, Café Finix).


donderdag 11 januari 2018

Andy Bollen – 'Nirvana. A Tour Diary': uniek ooggetuigenverslag

Andy Bollen kon zich slechts enkele maanden drummer van Captain America noemen, al speelde zich in die korte tijdspanne wel net het interessantste en opwindendste stuk van de historie van de band rond Eugene Kelly (die ongeveer een jaar eerder Kurt Cobains zowat favoriete band The Vaselines opdoekte) af, namelijk hun rol als voorprogramma tijdens het Britse luik van Nirvana's Europese tour eind 1991. Doordat Bollen – hoewel fervent muziekliefhebber – indertijd al eerder een carrière als (journalistiek en comedy) schrijver ambieerde dan één als muzikant, was hij niet alleen nagenoeg constant bezig alles wat op zijn pad kwam ten gronde te analyseren, maar hield hij tevens minutieus een dagboek bij over het hele gebeuren. Hier puurde hij ruim twintig jaar na de feiten alsnog een boek uit.


Voor het maken van de originele aantekeningen zocht Bollen, te midden de chaos van de uit hun voegen barstende concerten (het is precies het moment waarop 'Smells Like Teen Spirit op haast surrealistische wijze zijn weg naar het grote publiek vindt), de rustigste plek voorhanden op, en die bleek bizar genoeg steevast de backstageruimte van Nirvana, waar Cobain zich eveneens had teruggetrokken hetzij met hetzelfde doel hetzij om te slapen. Aldus kwam ND, zoals Cobain de auteur pleegde te noemen, in contact met het grunge-icoon in wording op het soort onbewaakte momenten waarop geen enkele interviewer hem ooit te zien kreeg. Ergens voelt de auteur zich zelfs schuldig dat hij toen al met journalistieke aspiraties zat en probeert hij voor zichzelf goed te praten dat hij geen spion was en al zeker niet met voorbedachte rade handelde. In het boek excuseert hij zich zelfs letterlijk bij Dave Grohl en Krist Novoselic, voor het geval ze dit niet vinden kunnen.

De documentaire is anecdotisch, fragmentarisch, bestaat uit uiterst interessante bespiegelingen (geregeld met in hindsight kennis in het licht van wat later te gebeuren staat), herinneringen en analyses en leest, geordend in hoofdstukken naargelang de opeenvolgende optredens, als een trein. Beschrijft Bollen sommige situaties overduidelijk als een komiek, neemt meestentijds zijn journalistieke aard toch de overhand. De schrijver uit Airdrie (Schotland) is immers aan één stuk door in gedachten op zoek naar de onderliggende grond van al wat hij ziet en hoort; of het nu gaat om songstructuren, het waarom van het succes van Nirvana, de opbouw van een review of de dynamiek in de relatie tussen Cobain, Novoselic en Grohl.

Als ooggetuige weet hij bij elke situatie een context te schetsen die het in de media opgehangen beeld van de Nirvana de ene keer in een ander daglicht stellen en de andere keer wat bijkleuren. Daarnaast kan Andy Bollen als geen ander de sfeer weergeven die rond het alternatieve muziekgebeuren in het begin van de jaren 90 hing en geeft hij een unieke inkijk in de dagdagelijkse beslommeringen van toerende indiebands. Terwijl 'Nirvana. A Tour Diary' sowieso gefundenes fressen is voor elke grote Nirvana-fan, zal het daarnaast ook elke andere muziekliefhebber in hoge mate weten te boeien.